Een tijdelijke vergunning voor maximaal 10 jaar. Of toch meer?

Sinds 2010 is er een ruime mogelijkheid om een omgevingsvergunning te krijgen voor activiteiten die niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Dat kan met een zogeheten “kruimelvergunning” op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voorheen was een soortgelijke vergunning mogelijk op grond van artikel 17 WRO. Een belangrijk verschil met de tijdelijke vergunning die kan worden verleend op grond van het Bor is dat destijds de maximale termijn vijf jaar bedroeg, terwijl thans een vergunning voor 10 jaar kan worden verleend.

In de praktijk rees nogal eens de vraag of bij het bepalen van de maximale termijn van tien jaar, rekening moest worden gehouden met het afwijkend gebruik dat al bestond voordat de kruimelvergunning werd verleend. Een voorbeeld: iemand heeft in afwijking van het bestemmingsplan een garage in gebruik als timmerwerkplaats. Dat gebruik bestaat al vier jaar op het moment waarop wordt besloten een kruimelvergunning aan te vragen. Kan die vergunning dan voor zes jaar of voor tien jaar worden verleend?

Begin dit jaar oordeelde de Raad van State dat bij het bepalen van de maximale termijn, rekening moet worden gehouden met een eerder verleende tijdelijke vergunning. In ons voorbeeld betekent zulks dat wanneer eerder al (op grond van artikel 17 WRO) een vergunning voor vier jaar zou zijn verleend, de kruimelvergunning nog maar voor zes jaar kan worden verleend.
Vervolgens rees de vraag of bij het bepalen van de maximale termijn ook rekening moet worden gehouden met bestaand afwijkend gebruik, waarvoor nog niet eerder een vergunning is verleend. In de literatuur werd veelal betoogd dat ook met dat feitelijk bestaande gebruik rekening moest worden gehouden omdat in het andere geval de “illegale” gebruiker zou worden beloond. In een uitspraak van 16 augustus 2017 oordeelde de Raad van State echter anders. Met bestaand afwijkend gebruik hoeft bij het verlenen van een kruimelvergunning géén rekening te worden gehouden indien voor dat gebruik nog niet eerder een vergunning is verleend. In ons voorbeeld zou derhalve nog een kruimelvergunning kunnen worden verleend voor een gebruik van de garage als timmerwerkplaats voor een periode van tien jaar, indien voor dat gebruik nog niet eerder een tijdelijke vergunning was verleend.

Deze uitspraak van de Raad van State heeft velen verbaasd, maar gelet op het feit dat de Raad van State zeer uitvoerig heeft gemotiveerd waarom enkel rekening hoeft te worden gehouden met afwijkend gebruik waarvoor eerder al een vergunning is verleend, mag worden aangenomen dat de Raad van State op deze uitspraak niet terugkomt.
Let wel: uit de uitspraak volgt slechts dat geen rekening hoeft te worden gehouden met bestaand gebruik waarvoor nog niet eerder een tijdelijke vergunning was verleend. Het bevoegd gezag mag daarmee wel rekening houden. In ons voorbeeld zouden burgemeester en wethouders zich op het standpunt kunnen stellen dat vanwege het feitelijke gebruik dat al heeft plaatsgevonden, zij slechts een kruimelvergunning willen verlenen voor een periode van zes jaren. Het verlenen van een dergelijke vergunning is namelijk een bevoegdheid, niet een verplichting.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met: 

mr. Huub (H.G.M.) van der Westen

Copyright © 2019 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie