Zijn bepalingen in de arbeidsongeschiktheidsverzekering als oneerlijk beding te beschouwen?

Door de rechtbank Den Haag zijn onlangs in dit kader vijf prejudiciële vragen voorgelegd aan de Hoge Raad die – kort samengevat – de vraag aan de orde stellen of een bepaald in de branche gebruikelijk beding in de voorwaarden van een arbeidsongeschiktheidsverzekering oneerlijk is in de zin van de Europese richtlijn. Het beding waar het met name om draait is dat de verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid zelf vaststelt op basis van rapportages van deskundigen die door hem zijn aangewezen en de verzekerde geacht wordt om dit standpunt te aanvaarden tenzij binnen 30 dagen bezwaar wordt gemaakt. Deze bepaling die soms wordt ervaren als ‘slikken of procederen’ leidt regelmatig tot geschillen.

De AG bij de Hoge Raad heeft deze vragen op 6 juli 2018[1] beantwoord. De belangrijkste vragen en antwoorden zijn in het onderstaande samengevat.

Het genoemde beding is geen kernbeding van de overeenkomst. Een kernbeding in een verzekeringsovereenkomst is in een voorwaarde die de omvang van de dekking bepaalt en dat is hier niet het geval. Er is ook geen sprake van een vaststellingsbeding, want de verzekerde heeft altijd de mogelijkheid om naar de rechter te stappen om het standpunt van de verzekeraar over de mate van arbeidsongeschiktheid aan te vechten, ook als de 30 dagen termijn voorbij is.

De voorwaarden bepalen voorts dat de verzekeraar de bevoegdheid heeft om een deskundige aan te wijzen die vaststelt of er sprake is van arbeidsongeschiktheid. De verzekerde mag dus niet meebeslissen over de aan te wijzen deskundige (arts) en over de te verstrekken opdracht. De kritiek is veelal dat de verzekeraar profiteert van een eenzijdig rapport van een deskundige van zijn voorkeur. Bovendien bestaan er ten aanzien van sommige aandoeningen en beroepsziekten verschillende opvattingen waardoor de verzekerde benadeeld kan worden door een ‘partijdige’ rapportage. Is dit een oneerlijk beding? Om recht te hebben op een uitkering zal vast moeten komen te staan dat bij de verzekerde een objectief medisch vast te stellen stoornis bestaat waardoor verzekerde tenminste 25% arbeidsongeschikt is. De AG is van oordeel dat de verplichting om mee te werken aan een onderzoek voortvloeit uit de algemene plicht die ook in de wet is vermeld onder 7:941 BW: de verplichting om mee te werken en alle inlichtingen te verstrekken. Daarnaast geldt de hoofdregel van art. 150 Rv waaruit volgt dat de verzekerde degene is die moet aantonen dat hij arbeidsongeschikt is en dus in beginsel zelf een onderzoek zou moeten bekostigen. Er is geen wettelijke verplichting voor de verzekeraar om een dergelijk onderzoek te faciliteren en bekostigen. De AG vindt dat er zeker iets aan te merken is op de praktijk van een eenzijdige benoeming en pleit ervoor om, zoals in letselzaken, in overleg een deskundige te benoemen. Daar komt bij dat een verzekerde op eigen kosten moet gaan procederen om een ingenomen standpunt aan te vechten. De verzekerde staat dan op achterstand omdat hij een rapport van tafel moeten zien te krijgen.

De conclusie van de AG is dat alles afwegend de genoemde bepaling geen oneerlijk beding oplevert. Zonder dit beding zou de verzekerde zeker niet in een gunstigere positie verkeren, want hij moet dan zelf een deskundige inschakelen om een rapport te laten opstellen en de arbeidsongeschiktheid aan te tonen. Er is wel verbetering mogelijk door partijen in onderling overleg een deskundige te laten benoemen.

[1] Conclusie AG d.d. 6 juli 2018 ECLI:NL:PHR:2018:788 Parket bij de Hoge Raad

mr. Adri (A.B.) Noordhof
mr. Ron (R.J.M.) van Dalen
mr. Sigrid (S.J.G.A.) van Pelt

Copyright © 2019 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie