Transitievergoeding bij ontslag op staande voet

Onder de Wet werk en zekerheid heeft een werknemer recht op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgever beëindigd of niet voortgezet wordt en de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft. De wet bepaalt vervolgens ook dat een werkgever geen transitievergoeding verschuldigd is aan werknemer indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Vaak wordt gedacht dat dit meteen ook betekent dat een werknemer die op staande voet ontslagen wordt geen recht heeft op een transitievergoeding, maar dat is niet waar. De Hoge Raad bevestigde dit onlangs in een uitspraak van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:484).

In deze zaak ging het om een werknemer die sinds 1991 in dienst was bij werkgever in de functie van magazijnbeheerder. Werkgever hanteert een alcohol- en drugbeleid dat inhoudt dat werknemers voor aanvang en tijdens het werk niet onder invloed van alcohol, drugs en/of medicijnen mogen zijn. Op 19 augustus 2015 verscheen werknemer op het werk terwijl hij naar alcohol rook. Werkgever heeft werknemer hiervoor een officiële waarschuwing gegeven. Op 17 maart 2016 verscheen werknemer onder invloed van alcohol op zijn werk. Reden voor werkgever om de betreffende werknemer op staande voet te ontslaan.

Werknemer verzoekt in de aangespannen procedure voor de kantonrechter een verklaring voor recht dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging en dat hij geen dringende reden heeft gegeven dat het ontslag op staande voet rechtvaardigt. Daarnaast verzoekt werknemer de kantonrechter het ontslag te vernietigen en de werkgever te veroordelen om het loon door te betalen. Subsidiair verzoekt werknemer om een billijke vergoeding van € 40.000,- en een transitievergoeding van ruim € 41.000,–.

De kantonrechter wijst de verzoeken van werknemer af, omdat er sprake is van zowel een dringende reden als van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. Werknemer gaat in hoger beroep tegen de beschikking. Het gerechtshof Den Haag heeft de door de kantonrechter gegeven beschikking bekrachtigd, echter zonder iets te overwegen over de verwijtbaarheid noch over de aanspraak op een transitievergoeding. Hiertegen had werknemer wel grieven gericht in hoger beroep. Werknemer gaat vervolgens in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het feit dat er sprake is van een dringende reden op grond waarvan een rechtsgeldig ontslag op staande voet gegeven wordt, niet zonder meer met zich meebrengt dat er ook sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werknemer. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is vereist dat er een dringende reden is, dat het ontslag onverwijld gegeven wordt en dat de dringende reden onverwijld medegedeeld wordt aan de betreffende werknemer. Verwijtbaarheid is dus geen vereiste voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Wil er sprake zijn van ernstige verwijtbaarheid, dan moet er dus meer zijn dan alleen een dringende reden nu deze twee niet altijd samen hoeven te gaan.

De Hoge Raad komt tot de conclusie dat indien een rechter van oordeel is dat er sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt, de aanspraak die een werknemer maakt op de transitievergoeding afzonderlijk beoordelend moet worden. Een rechtsgeldig ontslag op staande voet heeft niet zonder meer het gevolg dat er geen recht op de transitievergoeding bestaat. De beschikking van het hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak is terugverwezen naar het Hof Amsterdam die een nieuwe beslissing moet nemen.

Mocht u vragen hebben over het bovenstaande of over andere arbeidsrechtelijke onderwerpen neemt u dan gerust contact op met onze sectie arbeidsrecht:

mr. Marcel (M.) Kokx
mr. Laurys (L.J.H.) Stein
mr. Daniëlle (D.M.L.) Heberle
mr. Ellen (E.H.T.) Kleeven

Copyright © 2020 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie