Eens gegeven, blijft gegeven

Onlangs hebben wij een lezenswaardige uitspraak gekregen in een procedure die namens onze cliënte is gevoerd bij zowel de rechtbank (sector kanton) als het Gerechtshof.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3636
Cliënte en haar zus hebben in 1995 van hun moeder een “schenking op papier” ontvangen van € 38.000,–. Over deze schenking is volgens de akte jaarlijks rente verschuldigd. Moeder betaalt die rente echter niet aan haar dochters. Vervolgens wordt in 2014 aan elk van de dochters een bedrag van € 100.000,– geschonken na verkoop van de woning van moeder.

In 2016 maakt cliënte aanspraak op betaling van de achterstallige rente over de schenking uit 1995, voor zover die rentevordering niet verjaard is. Moeder is het daar niet mee eens en stelt in de door haar gestarte procedure bij de rechtbank dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat zij de achterstallige en toekomstige rente aan haar dochter(s) dient te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van moeder af.

In hoger beroep doet moeder nogmaals een poging om onder de schenking en betaling van de achterstallige en toekomstige rente uit te komen. Zij  stelt zich op het standpunt dat zij zich in 2014 niet realiseerde dat zij nog rente verschuldigd was over de schenking in 1995 en dat sprake is van schuldvernieuwing door de latere schenking in 2014. De rechtbank en het Gerechtshof zijn van mening dat dat argument niet opgaat omdat moeder zich in 2014 niet meer herinnerde dat over de papieren schenking rente verschuldigd was c.q. dat deze schenking überhaupt nog bestond. In dat geval kan eenvoudigweg geen sprake zijn van een intentie van schuldvernieuwing bij gebreke van gemaakte afspraken daarover.

Ook het argument dat de schenking in 2014 niet of anders zou zijn gedaan als moeder zich toen bewust zou zijn geweest van de jaarlijkse renteverplichting over de eerdere schenking gaat volgens het gerechtshof niet op. Immers is onzeker of dergelijke wetenschap in de praktijk tot een andere schenking in 2014 zou hebben geleid en zo ja, in welke mate. De schenking in 1995 was volgens het Gerechtshof bovendien anders van aard, immers een schenking onder schuldigerkenning met een jaarlijkse renteverplichting, dan die uit 2014. Die laatste schenking betrof immers een schenking van een groot bedrag ineens, kennelijk ingegeven door de financiële situatie en mogelijkheid van moeder op dat moment.

Evenmin kan een beroep van moeder op de redelijkheid en billijkheid of rechtsverwerking haar baten. Moeder is van mening dat zij financieel niet in staat is om de achterstallige rente en de toekomstige rentetermijnen te betalen gelet op haar slechte financiële situatie. Moeder laat echter na om haar standpunt behoorlijk te onderbouwen, terwijl de stellingen van moeder door cliënte gemotiveerd betwist worden.  Zo heeft moeder niet door middel van bijvoorbeeld een belastingaangifte en -aanslag inzicht gegeven in de omvang van haar inkomen en vermogen. Daarnaast heeft zij de stelling van cliënte dat zij beschikt over een spaarrekening van omstreeks € 40.000, niet betwist, noch de stelling dat zij voldoende inkomen (uit AOW en een tweetal pensioenen) heeft om de jaarlijkse rentebedragen aan haar dochters te kunnen voldoen.

Uit enkele bankafschriften die wel worden overgelegd blijkt dat moeder in een bepaalde maand bijschrijvingen heeft ontvangen van in totaal € 5.442,–, terwijl moeder geen inzicht heeft gegeven in de herkomst van die bijschrijvingen. Het Gerechtshof is daarom van mening dat er geen reden is om de aanspraak van cliënte op de jaarlijkse rentebedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

Het Gerechtshof acht enkel tijdsverloop onvoldoende om aan te nemen dat cliënte haar recht op betaling van de jaarlijks verschuldigde rente heeft verwerkt.

Het Gerechtshof bekrachtigt vervolgens het vonnis van de rechtbank.

Uit deze uitspraken volgt dat niet eenvoudig wordt aangenomen dat op enig moment gedane schenkingen zijn opgegaan in latere schenkingen en dat verplichtingen die voortvloeien uit eenmaal gesloten overeenkomsten dienen te worden nagekomen en niet zomaar zijn achterhaald.

mr. Angela (A.H.) van Gerwen
mr. Geertje (G.) de Jong
mr. drs. Niek (N.) Vinke
mr. Adri (A.B.) Noordhof
mr. Maud (M.V.C.) van Sambeek

Copyright © 2020 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie