Dramatisch overlijden echtpaar; wie erft?

Veel mensen zullen zich het pasgetrouwde stel herinneren dat in juni 2016 tijdens hun huwelijksreis overleed in de Dominicaanse Republiek. Zij zijn destijds vermoedelijk het slachtoffer geworden van voedselvergiftiging of besmetting met een bacterie. Ze overleden kort na elkaar nadat ze met spoed waren opgenomen in een ziekenhuis.

De nabestaanden van het stel zijn verwikkeld in een rechtszaak om de nalatenschap van de twee. De kwestie spitst zich toe op het tijdstip van overlijden.

De man en de vrouw waren twaalf dagen eerder getrouwd nadat zij voorheen al geregistreerd partners van elkaar waren geworden. Ze hadden geen testament of huwelijkse voorwaarden opgemaakt. De erfenis valt dan automatisch toe aan de langstlevende partner, zijnde de (familie van de) man nu de vrouw als eerste overleed. De nabestaanden van de vrouw nemen hiermee echter geen genoegen en starten een procedure bij de rechtbank Den Haag. Deze rechtbank heeft op 16 januari 2019 uitspraak gedaan (RBDHA:2019:4).

Volgens de rechtbank lijkt het tijdstip van overlijden van met name de vrouw niet te kloppen, maar uit verklaringen van artsen kan volgens de rechtbank wel worden afgeleid dat de vrouw eerder is overleden dan de man. Dat zou volgens de rechtbank betekenen dat de erfgenamen van de man aanspraak zouden maken op het gehele vermogen van beiden.

De rechtbank toetst haar oordeel vervolgens aan de zogenaamde commoriëntenregel in artikel 4:2 BW. Dat artikel bepaalt dat wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, die personen worden geacht gelijktijdig te zijn overleden, zodat de ene persoon geen voordeel heeft uit de nalatenschap van de andere. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel geen ruimte bestaat om aan te nemen dat de man en de vrouw voor wat betreft de toepassing van dit artikel, op hetzelfde tijdstip zijn overleden. Bij de totstandkoming van dit artikel is er destijds bewust voor gekozen om overlijden kort na elkaar voor de wet niet als gelijktijdig overlijden te beschouwen.

Vervolgens toetst de rechtbank aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die zijn opgenomen in artikel 6:2 BW: een krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, de zogenaamde beperkende werking. Dat artikel is ook van toepassing is op de verhouding tussen deelgenoten in een gemeenschap en daarvan is hier sprake gelet op de huwelijksgoederengemeenschap.

Met dit artikel kan de rechtbank beter uit de voeten.

De rechtbank overweegt namelijk dat de man en de vrouw hebben nagedacht over een mogelijk overlijden doordat zij op enig moment een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan waardoor zij erven van elkaar. Ook zou de vrouw met haar moeder hebben gesproken over haar eventueel overlijden en de wens van beiden dat in dat geval de man in de woning zou kunnen blijven wonen. Verder overweegt de rechtbank dat de man en de vrouw niet hadden nagedacht over een situatie van overlijden kort na elkaar, omdat zij anders een testament zouden hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat uit verklaringen tijdens de zitting is gebleken dat de man en de vrouw het woord “samen” belangrijk vonden en daar naar wilden leven. Zij hadden samen vermogen opgebouwd. Als een testament zou zijn opgemaakt was het zeer waarschijnlijk dat de man en de vrouw ingeval van overlijden kort na elkaar iets anders zouden hebben geregeld dan de wettelijke regeling, aldus de rechtbank.

Het zou daarom volgens de rechtbank gelet op alle uitzonderlijke omstandigheden van deze situatie indruisen tegen het rechtsgevoel als het vermogen van de vrouw terecht zou komen bij de familie van de man. De rechtbank oordeelt dan ook dat als erfgenamen van de vrouw heeft te gelden de familie van de vrouw en dus niet de familie van de man.

Deze uitspraak is bijzonder te noemen nu de wet over de volgorde van overlijden zeer duidelijk is en er ook overigens geen omstandigheden spelen die noodzaken tot uitleg, zoals vaker gebeurd als bijvoorbeeld de inhoud van een testament niet duidelijk is. Er was hier immers geen testament opgemaakt. De rechtbank beslist echter met een beroep op een artikel uit het algemene verbintenissenrecht dat dient te worden afgeweken van hetgeen de wet bepaalt. De lering die hieruit getrokken kan worden is dat een beroep op de (beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid ook in het erfrecht vaker ingezet zou kunnen worden. Of de uitspraak van rechtbank Den Haag ook in hoger beroep - dat inmiddels is ingesteld - echter stand houdt, zal nog even moeten worden afgewacht.

Copyright © 2020 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie