De reikwijdte van finale kwijting in een vaststellingsovereenkomst

De meest gebruikte vorm voor een beëindiging van een arbeidsovereenkomst is in de arbeidsrechtpraktijk het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Het verlenen van finale kwijting is een veel voorkomende afspraak die wordt vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Partijen spreken dan af dat zij na uitvoering van de overeenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben. Maar hoe absoluut is deze afspraak?

Een groot misverstand is dat alle mogelijke aanspraken onder deze finale kwijtingsbepaling vallen. Volgens vaste rechtspraak is voor de vraag of bepaalde aanspraken onder de finale kwijting vallen bepalend of deze bij een partij op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst bekend waren of behoorden te zijn. Aanspraken die een partij niet kende of behoorde te kennen, vallen in beginsel niet onder de finale kwijtingsbepaling. Voor die aanspraken kan een partij de andere partij dus nog aanspreken, ondanks dat finale kwijting is overeengekomen.

De volgende casus maakt nog maar eens duidelijk dat een finale kwijtingsbepaling niet absoluut is. Werknemer was in dienst als hoofd automatisering bij een instelling voor jeugd- en opvoedhulp. Wegens een verschil van inzicht en daardoor verstoorde arbeidsrelatie sloten partijen een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Na het vertrek van werknemer bleek dat hij geld van zijn werkgever had verduisterd. Werkgever deed hiervan aangifte, waarna werknemer werd vervolgd voor oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen. Werkgever vorderde van de werknemer betaling van de verduisterde bedragen en terugbetaling van de op grond van de vaststellingsovereenkomst betaalde bedragen. De kantonrechter wees deze vorderingen toe. In het hoger beroep dat de werknemer was gestart, deed hij een beroep op de over en weer verleende finale kwijting.

Volgens het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:1641) gaf de tekst van de vaststellingsovereenkomst geen aanknopingspunt dat partijen de bedoeling hebben gehad om een geschil over mogelijke aansprakelijkheid van de werknemer jegens de werkgever wegens fraude te voorkomen of te beëindigen. Reden van de beëindigingsovereenkomst was namelijk de verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever was destijds niet bekend met de (mogelijke) fraude door de werknemer en de werknemer mocht er niet op vertrouwen dat de werkgever bereid was afstand te doen van zijn vorderingsrechten in verband met eventuele fraude. Wanneer de fraude al bekend was geweest bij werkgever ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zou de uitkomst hoogstwaarschijnlijk anders zijn geweest.

Kortom, laat u goed adviseren als u een vaststellingsovereenkomst wenst te sluiten.

mr. Marcel (M.) Kokx
mr. Ellen (E.H.T.) Kleeven
mr. Laurys (L.J.H.) Stein
mr. Daniëlle (D.M.L.) Heberle

Copyright © 2019 Boskamp & Willems advocaten / Disclaimer & Privacy / Voorwaarden / Cookies / Orde van Advocaten / Klachtenregeling / Links / Webdesign Applepie